De Eerste Regel

Mijn docent Moderne Letterkunde aan de Hogeschool, die mij in de wandelgangen vertelde dat hij erin getraind was om teksten te beoordelen op hun eerste regel, zal ik helaas teleur moeten stellen. Meer dan een schaduw van de perfecte eerste zin die ik had gehoopt in dit digitale licht te kunnen vangen zal het niet worden. Nog langer wachten op genade heeft geen zin.

Met restjes briljantie die als sliertjes water aan de horizon verschijnen en verdwijnen dwaal ik door het woestijnlandschap van mijn geest. De schatkaart op zak van het meest kostbare dat er in een mensenleven bestaat namelijk de ‘tijd’.

De toekomst als een grijzig massagraf van afgestorven hersencellen waarin verleden, heden en toekomst niet meer van elkaar te onderscheiden zijn. Eenzaamheid dragend als een oud gewaad dat nog steeds te lekker zit om weg te gooien, al is het allang veel te klein geworden en versleten tot op de draad.

Zo heb ik tijdens het schrijven van deze eerste paar zinnen al aan drie verschillende studies gedacht om mij te dwingen in een vacuüm waar pas lucht bij mag komen als ik mijn diploma’s maar heb gehaald.
Ik heb er 1 uitgereikt gekregen, precies aan die school waarbij je op hoongelach kunt rekenen als je het er langer dan 1 of 2 jaar uithoudt, namelijk de Gerrit Rietveldacademie. Verder is het mij gelukt om op geen enkele school waar ik op zat lijfelijk noch geestelijk aanwezig te zijn. Ik zwierf door gangetjes om het gebouw heen, jatte chocomuizen van Cote D’Or bij het bakkertje om de hoek, lag trillend onder mijn bed te wachten tot mijn moeder thuis kwam en sprong dan tevoorschijn alsof ik de hele dag op school had doorgebracht. Als er werd geklaagd over mijn gespijbel dan geloofde ze mijn verklaringen en niet wat het schoolhoofd zei.
Op de middelbare school woonde ik in een kraakpand samen met een vriend en kwam alleen in de pauze naar school als er in de aula gedanst werd. Dat gebeurde dagelijks omdat het een school voor dansers was. De andere kinderen gingen na school naar hun echte danslessen, ik droomde verder. Tot ik na drie jaar moest vertrekken van wat toch de meest tolerante school van Amsterdam was. Dat kwam vooral omdat mijn vriendje, die tien jaar ouder was dan ik en allang van school, via mij zijn pubertijd over wilde doen. Tijdens een mislukt soort ‘ouderavond’, waarbij mijn vriend dacht dat hij de vaderrol op zich moest nemen, schold hij mijn mentor uit voor klootzak en een tiran. ‘Ben jij het met hem eens?’ vroeg de mentor aan mij. Ik knikte. Dan lijkt het mij beter als jij van school vertrekt!’ ‘Dat lijkt mij ook,’ zei ik, op de hoogmoedig toon waar alleen pubers het patent op hebben. Hij wees mij schuimbekkend de deur.
Het was mijn moeder die mijn plan om een zwemdiploma te halen met gruwelverhalen de kop indrukte. Ze had mij zo vaak over haar eigen zwemlessen als kind verteld waarin ze door een badmeester op klompen, die zijn leerlingetjes als vee behandelde, het zwembad in was getrapt en toen bijna verdronk. Ze had in een flits haar hele leven aan haar geestesoog voorbij zien komen. Ze heeft het overleefd, maar nooit meer een stap in een zwembad gezet. Ze had er alle begrip voor dat ik de zwemles zou staken na mijn eerste les, waarbij ik een ijzeren haak om mijn nek had gekregen. Ik wilde niet verder voor het geval het van kwaad tot erger zou worden.
Ik leerde mijzelf zwemmen in de Loosdrechtse Plassen bij buitenbad De Otter, nu een gerenommeerde Jazzclub in Oud-Loosdrecht. Ik sprong in het water omhoog alsof ik een jonge vogel was die wilde leren vliegen, dan ging ik met mijn armen en benen gespreid als vleugels snelle vliegbewegingen maken. Na enige tijd oefenen slaagde ik er in om mijn hoofd boven water te houden en te blijven drijven op het oppervlak. Ik voelde mij onoverwinnelijk, zwemlessen zouden voor mij een belediging zijn van nu af aan. Veel verder dan een onhandig uitgevoerde schoolslag en wat gepoedel, zoals een hond doet die per ongeluk te water is geraakt, is het echter nooit gekomen. De vlinderslag, alleen al vanwege de naam begerenswaardig, het achterwaarts rugzwemmen of van de duikplank duiken, het zijn onbereikbare heerlijkheden gebleven.
Zwembaden zijn voor mij de ideale plek voor het uitlokken van paniekaanvallen, waarbij ik het gevoel heb mij in het voorportaal van de hel ofwel het ziekenhuis te bevinden vanwege het steriele wit van de tegels, vaak aangevuld met een laf soort zeegroen dat een schijn van open water moet wekken, maar dan binnenin een gebouw. Voer voor nachtmerries.
Al in het badhokje begin ik snel en hoog te ademen en voel ik mij een schaap op weg naar de slachtbank. Bij de gedachte aan het nummer voor het opbergkastje valt mijn geheugenfunctie uit.
Ben ik met mijn vriend samen in een buitenlands zwembad bijvoorbeeld dan spelen zich hele scenario’s voor mijn ogen af van het kwijtraken van autosleutels tot mobiele telefoons, het hoteladres en elkaar.
Ik heb hem wel eens laten omroepen, als een kind dat haar ouders kwijt is. ‘Herr Kiewstra (wat een toepasselijke naam voor in een zwembad, al heet hij in werkelijkheid Kylstra), biete melden an der rezeption!’ Befehl ist befehl. Maar niet voor een Groninger van Friese afkomst, want hij werd pas na een grootscheepse zoekactie van een half uur door het zwembadpersoneel uit de wellness-afdeling van het zwemparadijs gevist, alwaar hij lekker zat te chillen in de sauna, een plek waar ik vanwege de klemmende en luchtdicht afgesloten deuren liever niet kom.
Zeker niet sinds er in Duitsland een ‘60-er jaren revival plaats vindt waarbij zowel in stadszwembaden als in open water naakt wordt gezwommen. En wee de priemende blikken in je rug van mensen in zwabberend Adam of Eva-kostuum als iemand zijn badpak of bikini liever aanhoudt. Opmerkelijk dat de boodschap van Love & Peace in combinatie met een zekere christelijke dwangmatigheid, diep verankerd in de cultuur, onvermijdelijk moet verkeren in zijn tegendeel.
Nadat een man, met een Noord-Afrikaans uiterlijk en thuis vermoedelijk een besneden vrouw in burka, mij in gebroken Engels dwong om mij voor zijn ogen te ontkleden toen ik een sauna met badkleding wilde betreden, was de maat voor mij vol en werd de wellness definitief een ‘no-go-area’.
Op het bankje bij de receptie trillend van de zenuwen en de kou bad ik dat Kiewstra niet dood op de bodem van zijn watergraf zou worden gevonden, of in een vlaag van verstandsverbijstering naar het hotel terug was gereden zonder mij.
Voor mij geen Kajak-vakanties of Bungy jumpen boven een waterval en ook niet per vliegtuig over de oceaan heen vliegen, met zenjazz in mijn oor. Redddingszwemmen met kleren aan die verzwaard zijn met stenen of claustrofobisch diepzeeduiken waarbij je in je kikvorspak en gekluisterd aan je zuurstoffles de caissonziekte riskeert. Het is mij dankzij het ontbreken van een A, B of C-diploma gelukkig allemaal bespaard gebleven.