Prikkeldraaddood

‘Jij bent zeker dat kind met die rare moeder?’ vroeg een mij onbekend meisje met rode strikken in het blonde haar dat in twee vlechten tot op haar schouders hing. Ze droeg een bril die wat beslagen was, met aan een kant een pleister achter het glas, alsof de bril anders uit elkaar zou vallen. Ze had een schotse rok aan met een witte bloes erboven en witte kousen tot aan haar knieën. Haar postuur was enigszins gezet. Ik bleef stilstaan bij het prikkeldraad op het voetbalveldje om eens goed te zien wie zoiets durfde te zeggen tegen mij. ‘Mijn moeder is niet raar.’ ‘Jawel, want ze gaat niet naar de kerk en ze is een hoer.’ ‘Hoezo een hoer?’ ‘Omdat jij geen vader hebt en er ‘mannen’ bij haar over de vloer komen.’ De tranen sprongen in mijn ogen en ik had moeite met ademhalen. Wat mij betreft mocht dit kind meteen de prikkeldraaddood sterven. ‘Dus jij gaat wel naar de kerk?’ vroeg ik. ‘Ja, zei ze terwijl haar borst opzwol van trots,’ naar de ka-tho-lie-ke kerk! ‘Dan moet je zeker stil zijn de hele tijd, hé? Dat is pas echt kut!’ Nu keek zij mij pijnlijk getroffen aan. ‘Ik wil met jou niets te maken hebben, weet jij dat?!’ Ik bevrijdde mij van de donkere blik in haar ogen en hoopte dat god mij in het vervolg zou behoeden voor dit gevaarte.

‘Moeder, hoer, mannen, kerk’ galmde het nog dagenlang na in mijn hoofd. ‘Mam, mag ik zondag naar de kerk?’ Ik had op school gehoord dat sommige kinderen vanaf de achterste rij de slappe lach kregen als de priester aan het woord was en dat leek mij wel wat. ‘Loes en Hennie gaan ook.’ ‘Ja maar die zijn katholiek en wij niet.’ ‘Waarom wij niet?’ ‘Omdat ik daar afstand van genomen heb toen ik veertien was, ik ben geen katholiek meer.’ ‘Maar ben je dan ooit wel gedoopt?’ ‘Ja, ik werd gedoopt door oma om mij te beschermen tegen de Duitsers, anders hadden ze me meegenomen, want ik zag er te   joods uit.’ Mijn moeder had zwart haar en blauwe ogen, zouden de Duitsers haar daarom mee hebben willen nemen? Ik huiverde bij de gedachte, maar voordat ik daarover meer te weten kon komen, zou ik eerst graag gedoopt willen worden. Ik stelde mij er iets heel prettigs bij voor, al had ik geen idee wat precies, maar het moest lekkerder zijn dan een Bounty of een stuk boterkoek als ik het zo hoorde van de kerkgangers. ‘Als jij groot bent mag jij je rooms-katholiek laten dopen, maar nu ben jij nog te jong om daarover te beslissen.’ Ik hoorde in de toevoeging ‘roos’ bij katholiek geen verwijzing naar de stad Rome, maar dacht aan het woord ‘room’ zoals bij ‘roomijs’ en het water liep mij alvast in de mond.

‘De familie Veters zijn slechte mensen,’ zei ik tegen mijn broertje die elke dag voetbalde met Henny, het jongste broertje van Loes. ‘Waarom dan? Ik vind Henny erg aardig,’ Bij de familie Veters zijn ze niet zo aardig als ze lijken, daar kom je nog wel achter.’ ‘Hoezo niet, wat is er dan met ze?’ ‘Ze gaan zondags naar de katholieke kerk! Straks moeten wij daar ook nog naartoe, dombo!’ Hij trok zijn schouders op over zoveel baarlijke nonsens. Als ik na school over het voetbalveldje dwaalde dat aan onze tuin grensde met de familie Veters aan de overkant, kon ik niet om Loes heen. Ze bleef mij maar achtervolgen met die broeierige blik in haar ogen van een jager met haar prooi in het vizier.