Onze Vader

‘Gewoon zijn’ was mijn grootste wens. De familie Veters waren normaler dan wij vond ik, dus ik besloot de kunst van hen af te kijken. Dat hun moeder gehandicapt was en in een rolstoel zat had tot gevolg dat iedereen ze vriendelijke groette op straat en er altijd wat te bespreken was. Ze hadden in ieder geval een zichtbare reden om ongelukkig te zijn en daarover raakten de mensen nooit uitgepraat. De rolstoel duwen, zoals Loes altijd deed, had ik ook heel graag gewild. Het leek mij heerlijk om de mensen te zien wijzen en ze te horen zeggen: ‘Kijk dat kind nu eens, wat erg hé? Ze is gewoon te goed voor deze wereld!’ Zo was ik ook dol op meisjesboeken waarin de hoofdpersoon ‘het zonnetje in huis’ genoemd werd. Ik hoopte dat ik ooit tot net zoveel belangeloze goedheid in staat zou zijn als Loes. Het ging echter al mis wanneer mijn opa en oma mij een heitje voor een karweitje wilde laten doen en ik wel het kwartje in ontvangst nam, maar het karweitje nooit opknapte. Ik had het vermoeden dat dat kwam omdat ik niet gedoopt was.

Ik voelde mij een zeur, met mijn mooie gezicht, lange haar en kerngezonde slanke ledematen. Er was geen enkele verklaring voor mijn angsten of onvrede, behalve dat mijn moeder waarschijnlijk een hoer was. Ze ging immers niet naar de kerk. Stiekem wenste ik dat zij binnenkort ook gehandicapt zou raken, of beter nog ik zelf. Thuis oefende ik alvast voor de spiegel hoe ik eruit zou zien met lamme benen terwijl ik mij met krukken moest voortbewegen. Mijn moeder had er gelukkig nog een paar in de kast staan van toen zij haar been gebroken had. Kijk ik kan niet meer lopen!’ riep ik dan tegen mijn broer!’ ‘Pas maar op,’ reageerde mijn moeder als ze mij zuchtend en steunend zag voortbewegen. Ze had dan wel afstand genomen van God, maar ze was nog steeds bijgelovig: ‘Je mag met zulke dingen niet spotten, als het straks echt zo is dan piep je wel anders.’

De familie Veters had nog meer aantrekkelijke dingen in de aanbieding: een kleurentelevisie bijvoorbeeld. ’s Avonds zaten we om het bakbeest heen geschaard. Rick, de oudere broer van Loes, wist bij iedereen die verscheen op tv de meest spitsvondige grappen te maken. Vooral Ad Visser met zijn vierhoekige XL-brillenglazen die TOPPOP presenteerde moest het ontgelden. Ook was er een telefoon waarmee mijn moeder regelmatig belde. Het bakelieten toestel hing aan de muur onderaan de trap en glansde prachtig. Vaak haalde ik de hoorn zomaar even van de haak om te luisteren naar het geruis en de pieptoon die je dan kreeg. Eens per week belde de vriend van mijn moeder uit Amsterdam. Met de familie Veters stil op de achtergrond als een oor dat over ons waakte liepen de ruzies nooit zo hoog op als thuis.

In ons poppenhuisje met muren van bordkarton, zoals onze buren zeiden, wist je nooit wat je kon verwachten. Behalve dan dat de ochtend rook naar bier en jenever, wanneer er tot diep in de nacht gefeest was. Het huisje, waarin wij bijna gratis woonde omdat het op de nominatie stond om gesloopt te worden, bestond uit een kamer met een bedstee en een klein keukentje. Mijn broer en ik sliepen op de eerste verdieping, die als een soort vliering was ingericht met schuine wanden. We hadden ieder onze eigen ruimte aan de andere kant van een scheidingswand. ’s Avonds begonnen de discussies opnieuw afgewisseld met gelach en gedans. Etenspannen kletterden tot diep in de nacht op het fornuis (sommige mensen aten kennelijk liever ’s nachts). Glasgerinkel klonk op van de ronde tafel waaromheen de gasten zaten te kaarten of te schaken in dampende wolken rook. Muziek schalde door het huis. Van slapen kwam niet zo veel, maar zolang er lawaai was, was het goed. Als het stil viel was er iets aan de hand. Bezoek van mijn moeders vriend bijvoorbeeld. Dan sloeg de stemming om. Iets wat niet zelden eindigde met ingeslagen ruiten en politie met zwaailicht voor de deur.

Spiegeleieren met vla

Het ontbijt van Rick bestond uit vla over spiegeleieren; ik werd al misselijk als ik het zag, alleen al vanwege het geel van het ei dat eruitzag als het snot van iemand die ernstig verkouden was. De textuur van de slijmerige zoete vla eroverheen versterkte de gruwelijke smaak ervan. Loes at jam over pindakaas. Ook zo’n duivelse combinatie die je van een katholiek niet zou verwachten. Al was het nog niet zo erg als Marmite over pindakaas, wat mijn opa altijd deed. Maar dat was een heiden en dan lag het voor de hand om afwijkend te zijn. Ik vermeed het om samen met Loes op te lopen naar school, dan hoefde ik er ook niet voor schooltijd langs. Het einde van de middag was mijn favoriete bezoektijd, waarna ik bij het diner mocht aanschuiven. De avondmaaltijd begon met een paar minuten stilte. Ik moest op mijn lip bijten om niet in lachen uit te barsten terwijl ik mij concentreerde op het deksel van de dampende pannen en wat eronder zou kunnen zitten.

Vader zei ons het gebed voor:

Onze Vader, Die in de hemelen zijt,
Uw Naam worde geheiligd,
Uw Koninkrijk kome,
Uw wil geschiede in de hemel zoals ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood…..

(dit brood was vast het aller heerlijkste brood dat er was op aarde)

…vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.
Leid ons niet in de verzoeking maar verlos ons van de boze.
Want van U is het Koninkrijk

(er daalde een rust in mij neer terwijl ik mij overgaf
aan God-de-Vader-de-Koning)

…en de kracht en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen…

‘…Amen!’ zongen wij hem na in koor.

Wat knap dat hij dat allemaal uit zijn hoofd kende! Mij lukte het niet om er ook maar een woord van de onthouden. Ik brabbelde maar wat mee op de toonhoogte van de rest. Moeders vroeg ons iets te vertellen over onze dag op school. De Vetertjes babbelden honderduit terwijl ik luisterde. Hoe kon ik uitleggen dat ik de hele middag in een zweefvliegtuigje boven de daken had gezweefd, omdat dat zoveel mooier was dan wat juffrouw Ooievaar of meester Kwel te vertellen hadden op school.