Lorraine 💘 Eugene

Lorraine 💘 Eugene

Jongens en meisje dit is Eugéne Mataheru,’ zegt de juf.
‘Ga voorlopig hier maar zitten.’ Ze wijst hem een plekje aan voorin de klas. ‘Ja, juf.’ Nieuwsgierig kijkt hij de klas rond. Bij Lorraine blijft zijn blik rusten. Ze voelt een giechel omhoogkomen en bijt op haar onderlip.

3X3=9 en 3X4=12. De juf tikt de maat op het bord. Dat ziet er best raar uit, maar ze probeert haar lachen in te houden.

Pok! Een papierpropje komt tegen haar slaap aan. Ze kijkt om zich heen, niemand kijkt terug. Zeker Bea weer! Altijd dat getreiter van die vetzak en dat meisjesgroepje om haar heen. In de kleine pauze mocht ze ook al niet meedoen met touwtje springen. ‘Je bent een trut!’ zal er wel instaan, dat zijn zo van die briefjes die Lies schrijft. Waarom zijn het altijd de nare kinderen die de meeste aandacht trekken?

Lorraine en Eugéne, schrijft ze in mooie krulletters in haar gloednieuwe schrift, want dat rijmt op elkaar.

Ze ziet Bea kijken naar het propje dat stil op de grond ligt te wachten tot iemand het opraapt. Afblijven! Denkt ze, alsof ze haar met een gedachte zou kunnen besturen. Ze doopt haar kroontjespen opnieuw in de inktpot van haar tafeltje en veegt het overtollige inkt zorgvuldige af aan het zeemleren lapje. Ploink! Er valt alweer een druppel op de tekst in haar schrift. Wanneer leert ze nou eens te werken zonder te knoeien? Zo zal ze nooit een plaatje krijgen voor haar dictee.

Ze maakt met rode stift een ♥️ en krast er met inkt een pijltje doorheen. Lorraine ♥️ Eugéne staat er nu.

In de pauze pakt ze het propje snel op en houdt het stevig in haar hand verborgen. Op het schoolplein komt Bea naar haar toe gelopen.

‘Je bent een slome trut, met slome kleren aan!’ zegt ze.

Het meisjesgroepje om haar heen grinnikt terwijl ze haar van top tot teen bekijken. Net een groep hyena’s. Alleen durven ze helemaal niets! Ze maakt een omtrekkende beweging en verbergt zich snel achter het muurtje bij het fietsenhok.

Daar maakt ze het briefje met trillende vingers open: ‘Vanmiddag-half-vier-zwembad?’♥️ Eugéne, leest ze tot haar verbazing. Wat een onbeholpen beverig handschrift! Ze is niet de enige die slordig schrijft! Maar half-vier-zwembad? Nee, dat gaat niet!

Ze denkt terug aan de zomervakantie. Hoe ze in buitenbad De Otter als een kikker vanaf de bodem omhoog sprong om te blijven drijven op het wateroppervlak om dan vervolgens watertrappelend vooruit te komen door het water. ‘Mam, kijk eens, ik kan al zwemmen!’

Moeder lachte haar vanaf de kant toe. Ze was trots dat haar dochter iets was gelukt wat zij niet kon.

‘Hoef ik nu niet naar zwemles meer?’

‘Nee, hoor, blijf jij maar lekker thuis.’

Ze kon haar dochter toch niet aandoen wat zij zelf zo verafschuwde? Zo’n haak om je hals. Het gevoel te moeten kokhalzen. De doodsangst voor de klompen die zo’n man aanhad en waarmee hij je het zwembad in trapte. Het kille water dat naar binnen stroomde door je neus en je mond. Het niet meer kunnen schreeuwen en de film van je leven die in een flits voorbijkwam in je hoofd. Ze rilde als ze eraan dacht.

Erica had Lorraine meegenomen naar het bad in het dorp. ‘Kom op, we gaan van de hoge duikplank af duiken,’ zei ze. En toen was het begonnen dat zij de angst was gaan voelen die zij nu ook weer voelt. Ze staarde met doodsangst de draaikolk van het diepe in. Kon zij wel echt zwemmen? Of had ze het maar gespeeld om haar moeder blij te maken? Ze had in paniek een smoes verzonnen om zo snel mogelijk uit het bad weg te komen. Hup op de fiets, haar kleren plakten nog vast aan haar lijfje, omdat ze niet eens de tijd had genomen om zich af te drogen. Snel naar huis!

Maar als ze niet zou gaan vanmiddag? Wat dan? Zou Eugéne haar dan nog leuk vinden? Of zou hij boos zijn?

‘Ik denk, dat Eugéne Moluks is,’ zei moeder toen ze het briefje aan haar liet lezen met de vraag wat ze moest doen. ‘Zou dat kunnen?’

Het klonk wel grappig ‘Moluks’, maar wat was het voor iets?

‘Ik kom wel eens in de Molukse wijk, zegt moeder.

‘Wat ga je daar dan doen?’

‘Ik leer er Loempia’s maken en kipsaté met rijst. Ik begrijp niet waarom niemand er durft te komen. Het zijn zulke aardige mensen.’

‘Ik durf er wel te komen!’ zegt Lorraine stoer.

‘Ja, jij misschien wel, maar toch moet je er rekening mee houden dat Eugéne’s ouders misschien niet gewend zijn dat er blanke kinderen bij ze komen spelen.

‘Oh, maar dan komt hij toch met mij mee naar huis?’

‘Misschien zal hij dat niet durven.’

‘Maar onze namen rijmen op elkaar, mam!’

‘Ja kind, dat is waar, maar meer dan wat gefriemel en kusjes geven in de bosjes zal het waarschijnlijk niet worden!’

In de spiegel inspecteert Lorraine de kleur van haar gezicht.  Kun je het daaraan zien? Is zij, in plaats van heel gewoon, nu opeens BLANK??!! Bléh!!

Ze kijkt op de klok: het is tien voor half vier.

Ze gaat koortsachtig op zoek naar haar zwemspullen. Waar lagen ze ook alweer. Haar maag gaat tekeer. Misschien moet ze wel overgeven? Kon ze maar de vlinderslag of de driedubbele salto van de duikplank maken. Kon ze maar gewoon zijn en zwemmen zoals iedereen!

Als ze probeert op te staan, valt ze bijna om, zo duizelig is ze. De zweetdruppels staan op haar voorhoofd. Er staat een stevige tegenwind en het trappen gaat moeizamer dan ooit.

Stel dat het briefje van Eugéne maar een grap was. Dat hij haar op staat te wachten met een paar jongetjes van de klas en dat ze zouden proberen om haar onder water te trekken? Misschien verdrinkt ze deze keer dan wel echt! Brrrrr…

Ze ziet het zwembad al in de verte, maar haar hart bonst: ‘Nee! Ze wil weer terug naar haar moeder. Op de terugweg zweeft ze bijna op de wind en voelt zich meteen een stuk beter.

‘Mam, ik voel mij niet zo lekker, ik blijf toch maar thuis!’ roept ze de keuken in.

‘Prima!’

‘Wat eten we vandaag?’

‘Gado-Gado met rijst en kroepoek.’

‘Oh, heerlijk!’

‘Ik ga nog even lezen hoor!’

Ze pakt het boekje erbij dat ze heeft meegenomen uit de boekenkast van haar moeder. Eerst had moeten lachen om de naam die op de kaft stond: Hans Plomp. Hans-in-den-Plomp giechelde ze zacht voor zich uit. Maar toen ze het boekje opensloeg zag ze iets heel bijzonders: het leken wel een soort woordsommen zonder eindbedrag.

‘Waarom staan die woorden zo raar op het papier, mam?’ vroeg ze.

‘Dat zijn gedichten lieverd. Daarin mag je alles precies zo opschrijven als je het zelf wilt.’

Dat was fijn zég! Misschien dat zij dan nu eindelijk ook eens een tien met een plaatje kon krijgen voor haar dictees. In plaats van de rode strepen die er meestal staan. Wat zou ze graag gedichten leren schrijven.

Naarmate ze de woordsommen vaker las werden ze steeds mooier in haar ogen.

Ernaast stond Le Petit Prince, dat volgens moeder ‘De kleine prins’ betekent. Die nam ze mee voor de plaatjes, want het is in het Frans en dat begrijpt ze nog niet. En moeder had ook gezegd dat het niet echt voor kinderen bedoeld was. Wel gek, want het zag eruit als een kinderboek.

‘Is Hans Plomp de kleine prins van de woordsommen?’ vroeg ze, want er moest een verbinding zijn tussen die twee, anders stonden ze niet naast elkaar in de kast.

Moeder moest lachen: ’Ja, zo zou je dat kunnen zeggen.

————————

‘Eugéne is een rotjoch!’ schrijft ze op een papiertje. Of negeert hij haar omdat hij thuis straf krijgt als hij met blanke meisjes praat?

Het is doodstil in de klas, je kunt alleen nog het krassen horen van de kroontjespennen van de kinderen. De wijzers van de klok aan de muur kruipen traag voorbij.

Lorraine krast een zwarte wolk over de hartjes en de naam Eugéne verdwijnt langzaam uit haar schrift. Stel dat zijn ouders het zouden zien!

2×3=6 en 3×3=9 begint het zingen weer. De woordsommen op het bord zijn langzaam weer terug verandert in gewone rekenrijtjes. Het is eigenlijk allemaal erg saai op school!

Pok! Gooit ze het propje met de verwensing tegen het hoofd van Eugéne. Ze schrikt er zelf van, maar hij kijkt niet op of om.

‘Lorraine heeft alweer een tien voor haar opstel,’ zegt de juf.

‘Goed zo, en hier krijg jij natuurlijk een mooi plaatje voor!’

Ze bergt haar schrift met het plaatje van het sneeuwwitte konijn die een wortel eet op in haar laatje. Zo die neemt niemand haar nog af!

Laat hem hier maar rustig wonen in het donker van haar tafelbank.

Ze stift snel haar lippen met een stompje knalrode lipstick dat ze van moeder heeft gekregen en drukt een 💋op een blaadje en vouwt er een vliegtuigje van. Zoeffff! Hij maakt een grote boog door de klas. De juf kijkt even verstoord op, maar glimlacht als ze het vliegtuigje op de grond ziet liggen naast het bankje van Eugéne.

Wel gek eigenlijk, denkt Lorraine, dat de juf nu opeens zo lief tegen haar doet, want een echt gedicht heeft ze nog steeds niet geschreven.

 


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Maak een website of blog op WordPress.com

%d bloggers liken dit: