Amazone

Het was het begin van de lente en de kamers van Donkerriet vulden zich opnieuw met leven. Het oude herenhuis was jarenlang ongebruikt gebleven, alsof de eigenaar de beslissing om het te verkopen te lang had uitgesteld. Het oude behang van de muren was vergeeld en krulde om bij de hoeken. De eikenhouten trappen kraakten vervaarlijk en de hoge plafonds in de kamers zagen zwart van de vliegen alsof er kadavers lagen weg te rotten tussen de verdiepingen in.

Het gastgezin, aan wie hij zijn huis tijdelijk leende, verzamelde zich rond de tafel in de keuken omdat alleen het gasfornuis nog werkte. De rest van de kachels hadden het begeven. Boven de tafel hing een peertje dat een fel en ongezellig licht gaf. Moeder had in de vensterbank en op de tafel kleurige kaarsen neergezet om wat sfeer te maken.

Toen ze hier pas waren ingetrokken was het Lorraine opgevallen dat de stoelzittingen allemaal stukgesneden waren. ‘Wat een vieze ouwe stoelen!’ zei ze tegen haar moeder.

‘Dat heeft onze goede vriend gedaan als hij een boze dronk had. Dan sneed hij alles kapot met een mes,’ zei ze alsof ze het vrij gewoon vond.

Lorraine rilde bij de gedachte, want ze had vaak gezien hoe hij met luide stem overal doorheen tetterde op de feestjes van haar ouders. Hij schoffeerde de gasten en gooide glazen stuk op de grond. Maar niemand durfde hem te passeren, want hij was rijk, beroemd en belangrijk in de grotemensenwereld.

‘Hij wil hier niet meer wonen,’ zei moeder, ‘zijn oudste zoon heeft iets heel ergs gedaan in dit huis.’

De haartjes op haar armen gingen recht overeind staan.

‘Wat heeft ie dan gedaan, mam?’

‘Wil je het echt weten kind?’

‘Ja!’

‘Nou goed dan, hij heeft zichzelf van het leven beroofd, in zijn jongenskamer,’ fluisterde ze zodat haar jongere broers het niet zouden horen.

Dus dat was de reden dat die ene kamer hier altijd op slot zat? En waarom zij en de andere kinderen er niet mochten komen?

‘Leeft hij dan niet meer, mam?’ vroeg ze na een tijdje stil geweest te zijn.

‘Nee, hij leeft niet meer.’

Lorraine wilde nog duizend dingen hierover weten, maar voor moeder was het nu wel genoeg geweest. Ze spoorde haar aan om brandnetels te gaan plukken in de tuin. Moeder zette daar thee van, die ze warm hield op het gasplaatje. De keuken geurde altijd heerlijk naar brandnetel en mint.

Brandnetels plukken was op zich geen fijn klusje, maar omdat ze naast de dovenetels stonden met hun witte honing-bloempjes die je leeg kon zuigen, deed ze het toch graag.

Aan de achterkant van het huis lag een park waarin een vijver lag met vissen erin. Haar middelste broertje Chaim had er al een paar gevangen. Door de weerspiegeling in het water leek hij wel een kabouter die woonde in het bos van de berenklauw die boven zijn hoofd uitkwam, terwijl hij urenlang onbewogen staarde naar de dobber van zijn hengel. Ze begreep niet waar hij het geduld vandaan haalde.

Aan de voorkant van de tuin lag het koetshuis dat niet meer in gebruik was. Maar in het brugwachtershuis, dat ook nog behoorde tot het landgoed, woonde de brugwachter met zijn familie. Hij haalde meerdere malen per dag de houten brug op en kreeg daarvoor een fooi in een houten klompje dat hij de plezierboten voorhield.

Aan de linkerzijde van het huis was een rozentuin en een boomgaard met een pergola waar je doorheen kon wandelen.

———————-

Om uit te rusten van het plukken ging Lorraine op een boomstam zitten aan de rand van het park en gaf zich over aan dromerijen en volgde de stroom van auto’s langs de snelweg aan de overkant van het weideland.

Ze voelde nu al spijt over het moment dat de weg zo zou zijn opgerukt dat het landgoed zou moeten verdwijnen. Ook de torenflats die de horizon vervuilden aan de rechterzijde van het huis joegen haar angst aan voor de toekomst. Toch was dit landschap nog even idyllisch als het eeuwen geleden moet zijn geweest. Ze begreep dus niet waar zij zich zo druk over maakte. Zo snel gaat een landschap niet naar de verdoemenis! Geniet liever van dit moment nu alles nog bij het oude is, zei ze bij zichzelf.

————————————————————-

Marjolein, haar vriendinnetje uit de stad, kwam in de voorjaarsvakantie op het landgoed logeren.

‘Kom, op naar de dodenkamer!’ riep ze enthousiast nadat ze het verhaal over de zoon gehoord had. Wat een botte reactie, dacht ze. Dat kind kon toch ook geen geheimen bewaren zeg! Het leek wel alsof het om een spookhuis op de kermis ging!

Het gemorrel van Marjolein aan de deurknop en de manier waarop ze met haar handen rond haar hoofd door het geblindeerde raam van de deur naar binnen probeerde te kijken, irriteerde haar. Niet dat er veel te zien was, maar dat weerhield haar er niet van erop los te fantaseren:

‘Stel dat hij zich hier heeft opgehangen hé, zou hij er dan na al die jaren nog steeds zo bij hangen?’

Lorraine reageerde er niet eens op. Wat een ongepaste vragen! Maar ’s nachts werd ze gillend wakker omdat ze dacht dat er een lijk bungelde aan de balken van haar slaapkamer. Opeens zag ze in hoe eng dit huis eigenlijk was en begreep ze de boosaardige landgoedeigenaar beter dan ooit. Het spookte hier namelijk! Eigenlijk vond ze het best gemeen dat hij hen met de zorg voor dit huis had opgezadeld, maar ze had ook wel medelijden met hem. Een zoon die zichzelf doodt, dat moet toch wel heel erg zijn.

————————–

Haar vriendin had al snel ontdekt dat je op de zolder, die pikkedonker was omdat er geen lamp hing, kon schommelen én uit het raam kon klimmen om langs de dakrand te lopen. ‘Nu ben ik echt helemaal Pipi Langkous,’ riep ze vrolijk terwijl ze haar evenwichtskunsten beoefende. ‘Kom op Lorraine, en nu jij!’

Maar Lorraine wist er steeds met een smoes vanaf te komen. Dan weer had ze hoofdpijn en dan weer buikpijn van te veel drop eten; er was altijd wat.

Om nog meer in de voetsporen van Pipi Langkous te treden, ging Marjolein in de buurt op bezoek bij een boerderij waar paarden in de wei stonden. Het was haar gelukt om aan te pappen met de dochter van de boer. Zij wilde namelijk een paard lenen, het liefst de witte schimmel, want zo een had Pipi Langkous er ook gehad.

Na enkele dagen lobbyen mocht het dier voorlopig in de tuin van Donkerriet staan. Het gras was er kniehoog en er waren genoeg bomen om het paard aan vast te binden, bovendien kon Marjolein uitstekend omgaan met paarden. Ze borstelde het dier meerdere malen per dag totdat zijn vacht glansde, verwisselde zijn bit, gaf hem bakken met water en haver en vergat nooit een suikerklontje voor hem mee te nemen.

Op een nacht toen Lorraine al een paar uur had geslapen, werd ze opeens wakker van de stem van Marjolein die haar riep van onder het raam: ‘Lorraine, kom eens kijken!’

Ze ging uit het raam hangen om te kijken wat er aan de hand was.

‘Kom naar beneden!’ riep ze extatisch. Lorraine kon in het licht van de slaapkamer zien dat ze poedelnaakt en zonder zadel op het paard zat.

‘Ik doe dit voor Rielke!’ riep ze. ‘Omdat ik van hem houd!’

‘Ssssttt!!’ siste ze, ‘straks wordt mijn moeder nog wakker.

‘Weet jij wel hoe erg het is om verliefd te zijn op iemand die niet verliefd op jou is?’ had ze de laatste tijd regelmatig aan Lorraine gevraagd. Zij had geen idee gehad dat het om Rielke ging, de nieuwe vriend van haar moeder, die zich de avances van het jonge meisje goedmoedig liet welgevallen, omdat hij er niets achter zocht. Hij had waarschijnlijk geen idee dat Marjolein zo verliefd op hem was.

Eenmaal beneden had ze het vooral koud. Het was ook best raar om midden in de nacht in haar pyjamajurk in de tuin te staan terwijl haar vriendin naakt op een paard zat en ze wilde het liefst meteen weer naar binnen.

‘Kom op, en nu jij!’ sprak Marjolein haar toe met haar inmiddels gevleugelde woorden.

Lorraine trok haar schouders op, het kind moest knettergek zijn geworden van liefdesverdriet, maar wat moest zij daar nu mee?

Marjolein bleef haar strak aankijken met diezelfde dwingende blik die zij al zo vaak had gezien bij haar. Altijd was Lorraine volgzaam geweest en geneigd haar vriendin haar zin te geven in alles wat zij vroeg, maar deze keer zei ze: ‘Nu niet Marjolein, ik heb het koud!’ en draaide zich om.

Marjolein draafde zonder te zeuren richting het grasveld en snoof haar longen vol met frisse nachtlucht. Ze leek niet eens kippenvel te hebben. Ze kon het makkelijk alleen af allemaal want Lorraine durfde toch niets! Zij moest dit soort dingen altijd alleen doen!

Toen ze nog even over haar schouder keek moest Lorraine opeens glimlachen om het beeld van dit meisje met haar rozige jonge huid, poedelnaakt dravend op de hagelwitte schimmel door het duister van de nacht. Een nacht die opeens niet zo duister meer leek nu zij hier zo stond te kijken naar dit paar. Had zij nu maar een fototoestel bij zich gehad!

———————————

‘Dit hebben we toch maar mooi samen meegemaakt,’ zei Marjolein tegen Lorraine toen ze hijgend weer naar boven kwam, ‘niemand neemt ons dit nog af!’

‘Mm, mm,’ humde Lorraine met haar duim in haar mond.

De stille bewondering woog blijkbaar zwaarder voor Marjolein dan de lafheid van het meisje. En ja, iemand moest het voortouw nemen, terwijl de ander volgzaam was en de gelegenheid bood, want het was tenslotte Lorraine die met haar familie dit huis bewoonde, waar zij maar te gast was. Zonder hen had dit hele avontuur nooit plaatsgevonden.

Even was er alleen dit ene moment van pril ochtendlicht dat door de takken van de bomen naar binnen viel en dat mozaïeken tekende op de muur.

Hun matrassen op de grond tegen elkaar aan geschoven. De opwinding in hun fluisterende kinderstemmen. De trilling die door dit landgoed ging van geheimen die zich nog niet lieten dresseren. Een kermis van zingende merels.

De toekomst die nog niet was ingericht.

2 Comments

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s