Het briefje

In het dorp waar Lorraine opgroeide lag een buurt die was afgescheiden van de rest. Niet dat de postbode of de krantenjongens er niet langskwamen of de melkboer er geen flessen rondbracht. Zelfs de schillenboer reed er met paard en wagen en zijn luid klingelende bel gewoon doorheen, net als de lawaaiige vuilnismannen die de ochtend met veel poeha kwamen inluiden. Ook wanneer er iemand ziek was of een kind geboren moest worden, kwamen de dokter en de vroedvrouw er echt wel langs. Het dagelijks leven verliep er eigenlijk net zoals bij de meeste gezinnen in de rest van het dorp. Maar wanneer het bijvoorbeeld ‘kinderpostzegeltijd’ was of er een viering van een heilig feest plaatsvond zoals Sint-Maarten dan liepen de kinderen met hun postzegels en gekleurde lampionnen met kaarsjes erin met een grote boog om deze buurt heen alsof er onzichtbaar prikkeldraad omheen gespannen was. Het was op de een of ander manier ongepast om er te komen en geen van de kinderen wist waarom. Ook Lorraine fietste er soms langs en probeerde dan nieuwsgierig door de vitrage van de ramen naar binnen te kijken, maar er dwars doorheen te fietsen dat durfde zij niet en ze had ook nog nooit gesproken met iemand die hier woonde. Ze wist niet eens hoe de bewoners ervan eruitzagen.

Uit deze buurt kwam Eugéne, het nieuwe jongetje dat deze week in de klas was binnen gekomen.

‘Ga hier maar zitten Eugéne,’ zei de juf tegen hem, terwijl ze hem zijn plaats wees op de voorste rij banken. Hij keek verlegen rond met zijn donkerbruine ogen, bij Lorraine bleef zijn blik even rusten. Ze voelde dat haar hart begon te bonzen. Eugéne dat rijmde op haar eigen naam. Dat moest wel een teken zijn van iets.

Ze gleed in gedachten even met haar hand door zijn blauwzwarte haar -nog donkerder dan het haar van haar moeder- om te zien of het niet afgaf. Erica die op de rij achter haar zat te klieren met haar inktpot en inktlap keek nieuwsgierig van Lorraine naar Eugéne en terug. Viel het haar op dat zij Eugéne nu al leuk vond?

Een papierpropje viel op de grond naast haar bankje, het was vast niet voor haar bedoeld, of het moest een pestbriefje zijn van Erica natuurlijk. Ze vond het niet prettig om haar aandacht te trekken. Laat me met rust! Dacht ze bij zichzelf en ze liet het propje liggen.

Tringggggg! Daar ging de pauzebel. Ze sprong op en griste snel het propje weg, want stel dat erop stond ‘Lorraine is gek’ en dat het briefje de hele klas rond zou gaan! Ze propte het in haar zak en besloot het na school open te maken op weg naar huis.

———————-

‘Om-vier-uur-zwembad?’ las ze in een beverig handschrift toen ze naar huis wandelde. Het briefje was ondertekend met ‘Eugéne’. Ze wilde zich het liefst verstoppen achter een boom en dan kijken of hij haar niet was achtervolgd. De woorden galmden nog een tijdje na in haar hoofd.

Thuis viel ze neer op haar bed in haar kamer en bleef lange tijd met het briefje in haar hand naar het plafond staren.

Ze moest er niet aan denken om Eugéne te ontmoeten in het zwembad, want ze kon niet goed zwemmen, al had ze zichzelf enkele slagen aangeleerd en kon ze aardig blijven drijven. Maar als ze ging zwemmen met haar vriendinnetje Loes merkte ze al snel dat ze stukken langzamer was en de angst om te verdrinken verstikte haar haast.

Ze dacht dan altijd aan haar moeder. Het verhaal van haar bijna-verdrinking als kind en rilde. Bij haar was er nooit zoiets naars gebeurd, maar ze was er toch bang voor geworden. ‘Mijn moeder kan helemaal niet zwemmen en durft het zwembad niet eens in, ik kan in ieder geval nog een klein beetje zwemmen en ben dus beter af dan zij,’ zei ze tegen zichzelf. Maar het hielp niet tegen het gevoel van paniek dat zij omhoog voelde komen als zij de zeepgroene kleur van de glanzende tegels zag, waar je zo makkelijk over kon uitglijden. Het koude water dat stonk en smaakte naar chloor. Als je daar een slok van binnen kreeg deden je keel en je neus nog een paar dagen pijn.

Het hoge gegil van de kinderen die blijkbaar wel veel plezier hadden in het zwembad stoorde haar. Haar vriendinnetje Loes had haar vaak tevergeefs gezocht als ze uit het bad kwam en was dan boos geworden wanneer ze merkte dat Lorraine alvast naar huis was gegaan.

‘Sorry Loes, ik was opeens misselijk geworden van het chloor,’ zei ze dan later beschaamd over deze halve waarheid. Loes was tenslotte Katholiek en liegen was in haar ogen een doodzonde.

‘Mam, ik kreeg dit briefje vandaag op school.’ Haar moeder las het glimlachend voor.

‘Nou, wat is het probleem dan?’ vroeg ze.

‘Niets. Maar Eugéne is eh…, anders.’

‘Anders?’

‘Hij ziet er anders uit.’

‘Hoezo anders?’

‘Nou, zijn haar is heel erg zwart en zijn ogen zijn donkerbruin en zijn huid lijkt van melkchocolade.’

‘Chocolade? Maar daar hou jij toch zo van?’

‘Ja maar..’

Moeder keek alsof haar een licht opging: ‘Is hij soms Moluks?’

‘Moluks? Wat is dat nu weer?’

‘Dat zijn de mensen die wonen in de ‘Molukse wijk’. Waar de meeste mensen van dit dorp niet durven te komen.’

Lorraine voelde een steek in haar hart.

‘Ja mam, ik denk dat hij Moluks is.’

‘Nou, ik zou gewoon lekker naar het zwembad gaan hoor. Hij vindt je vast heel aardig.’

‘Ik vind hem ook aardig mam, maar ik ga toch liever lezen.’

‘Ook goed. Ga jij maar lekker lezen.’

Moeder dacht altijd overal zo makkelijk over.

Ze wilde weer verder gaan in de Le Petit Prince, het dunne boekje waarvan ze de plaatjes zo mooi vond, maar geen woord begreep, want het was in het Frans. Een taal die zij nog niet kende. Meestal las ze kinderboeken. Afke’s Tiental was haar lievelingsboek. Maar de laatste tijd zocht ze ook naar boeken in moeders boekenkast, zonder te weten wat ze precies zocht.

Toen het tien voor vier was, schaamde ze zich opeens dat ze nog steeds op haar bed lag te lezen en niet de moed had gehad om naar het zwembad te gaan. Ze sprong met frisse moed overeind, pakte snel haar zwemspullen in en ging haar fiets pakken. Moeder zwaaide haar vrolijk na.

Tijdens het fietsen leek het wel alsof haar benen van modder waren, alles ging steeds stroever en langzamer, maar in gedachten zag ze al voor zich hoe ze Eugéne, in overwinning op zichzelf, te woord zou staan. ‘Hello!’ Begon ze met het enige woord Engels dat ze kende, alsof ze opeens de hoofdrol speelde in een film op tv. ‘Natuurlijk kom ik naar onze afspraak toe, wat had jij dan gedacht? Ik zwem als een waterrat en durf van de hoogste duikplank te duiken. En.., ik ben ook verliefd op jou Eugéne! Zullen we later gaan trouwen?’ Ze zag de bruidssluier al voor zich die ze zou gaan dragen en het kostuum van haar toekomstige echtgenoot. Hij had een rode roos in zijn vestzak.

Maar toen ze het gebouw van het zwembad door haar dromerijen heen plotseling voor zich zag opdoemen, draaide ze zich met een ruk weer om en fietste zo snel als ze kon weer terug naar huis.

De zweetdruppels stonden op haar voorhoofd toen ze, na een flinke omweg om niet te vroeg thuis aan te komen, het huisje weer binnenkwam, waar zij woonde met haar moeder en haar broertje Ron, die al aan de gedekte tafel zat in afwachting van het heerlijke maal dat moeder straks zou opdienen.

De pannen dampten op het fornuis. Moeder proefde alvast van het eten.

‘Wat eten we straks mam?’

‘Gado Gado met rijst. Een recept van een Molukse familie hier uit het dorp. Heerlijk!’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s