Rattenvanger

Aan de overkant van de straat kwam een hol geklak uit het portiek vandaan. Het klonk als de lokroep van een dier dat zijn kudde bij elkaar roept, maar bleek te worden voortgebracht door een jongen met zijn tong en zijn handen rond zijn mond als een soort klankkast.

Hij was gekleed in versleten spijkerbroek met witte verfspatten erop en had een vaalrood T-shirt aan. Zijn haar viel in bruine krullen tot over zijn brede schouders. Uit de korte mouwen van het T-shirt staken een paar door de zon gebruinde armen die van nature gespierd waren alsof hij elke dag in de sportschool kwam. Op zijn brede kaken groeide al wat vlassig haar. Zijn lichtblauwe ogen met de donkere wimpers er omheen keken brutaal de straat in op zoek naar waar het gespuis dat hij riep zich verschool. Voor degenen die hem nog niet gehoord hadden floot hij er op twee vingers nog eens schel achteraan, waarbij hij trillers voortbracht die ik nog niet kende.

Het duurde niet lang of er had zich een groep jongetjes van allerlei leeftijden om hem heen verzameld. ‘Kom op jongens, we gaan knokken én op de versiertoer!’ Riep hij met krachtige stem, waarin de baard al zat. Wie wilde daar niet bij horen? Ze volgden de rattenvanger nieuwsgierig en gedwee naar het grote stadspark dat een straat van ons verwijderd lag om zich te verzamelen onder de oude eikenboom. Het was aan zijn houding te zien dat wie zich ontrok aan zijn gezag met zijn knuisten in aanraking zou komen.

Er trok een rilling door mij heen van een gevoel dat ik niet thuis kon brengen. Ik verborg mij in verwarring achter de vitrage van de eerste verdieping die nog niet was ingericht, want we woonden er pas, en hoopte dat hij mij niet gezien had. De dagen erna deed ik mijn best om hem niet op straat tegen te komen.

‘Die jongen die zo goed kan klakken met zijn tong heet Roman.’ zei mijn broer zichtbaar onder de indruk van zijn verschijning. ‘Hij wil jou leren kennen.’ ‘Mij? Hoezo? Heeft hij mij dan gezien op straat?’ ‘Ja, en hij vindt je een stuk.’ ‘Een warm gevoel stroomde door mij heen en tegelijk rook ik gevaar.’ ‘Zeg maar dat dat hij de pot op kan!’ ‘Ok, ik zal het zeggen.’

‘Hij vindt mij een stuk..,’ herhaalde ik telkens in gedachten en direct daarna; ‘..maar-ik-ben-niet-verliefd-op-hem…!’