‘Als ik een jongen was..’

‘Heb jij al eens gezoend met Roman?’

‘Nee,’ antwoordde Lorraine en kleurde van schaamte als een kind dat betrapt wordt op het stelen van snoep bij een winkel.

‘Ik wel, zei Marjolein, met die ondeugende twinkeling in haar ogen die haar toch steeds weer deed denken aan de vreemde pipi langkousachtige jongen die ze ooit op straat had ontmoet.

‘Echt waar?’ Het leek Lorraine zoiets als wandelen op de maan; zo ver weg. Ze zou het nooit durven te doen met een jongen. Ze zuchtte diep, want er was een vraag die al wekenlang op haar borst drukte, maar die ze nog niet had durven stellen aan Marjolein. Maar ze wilde dit vervelende gevoel niet langer rekken en ze schraapte haar keel: ‘Zeg, ben jij niet toevallig dezelfde persoon als die jongen die mij heeft klemgereden op straat met zijn fiets? Waarom deed jij dat toen eigenlijk?’

Marjolein schrok op alsof zij aan dit incident liever niet herinnerd wilde worden.

‘Ik ben toch geen jongen?’ zei ze verontwaardigd.

‘Toch wel!’ lachte Lorraine en knikte haar vriendelijk toe, want ze wilde Marjolein aanmoedigen om een eerlijk antwoord te geven.

‘Ik was het inderdaad.’ Ze zuchtte alsof het voor haarzelf ook een opluchting was om te praten over hun eerste ontmoeting.

‘Jezus, je leek zo anders,’ riep Lorraine uit, ‘zo écht een jongen! Ik had je niet eens herkent toen je later naar mij zwaaide vanuit het raam.’

Ze wist dat Marjolein ook het meisje in de lila jurk was geweest. Dat had zij ontdekt toen zij een keer bij haar op bezoek was gegaan en bleek dat zij in hetzelfde huis woonde. Ze had alleen nog niet durven vragen waarom zij toen zomaar naar haar was gaan zwaaien. Ze was nog steeds bang was dat het allemaal maar een vergissing was geweest en dat Marjolein haar nog steeds voor iemand anders aanzag.

‘Vond je mij toen als jongen eigenlijk leuk?’ wilde Marjolein nu weten.

‘Uh nee, als jongen niet echt, maar toen ik je later als meisje zag wel,’ antwoordde ze, al twijfelde ze aan het waarheidsgehalte van haar antwoord. Ze kon zich niet voorstellen dat ze Marjolein ooit niet leuk zou vinden, zelfs niet als ze eigenlijk een jongen bleek te zijn.

‘Ik was niet aardig tegen je toen, dat geef ik toe.’

Lorraine zuchtte; het was toch een opluchting om dit uit haar mond te horen.

‘Als ik een jongen was geweest dan was ik verliefd geworden op je, weet je dat?’

Lorraine kreeg even een elektrisch schokje in haar buik van deze ontboezeming, maar ze wist niet of Marjolein dit nu zei om haar te troosten of omdat ze het meende.

‘En Roman dan? Je hebt toch met hem gezoend?’

Marjolein keek even op: ‘Roman en ik hebben al twee maanden verkering, ja. Denk jij soms dat het leuk is als je vriendje steeds over een ander meisje praat?’

‘Welk meisje dan?’

‘Jij natuurlijk!’

Lorraine werd nu bijna misselijk van de spanning.

‘Maar gelukkig is er niets aan de hand. Jullie zijn toch alleen maar vrienden?’

‘Ja natuurlijk zijn wij alleen vrienden,’ antwoordde ze en hoopte dat dit gesprek snel afgelopen zou zijn.

‘Hij flirt met iedereen, dat weet ik ook wel, maar hij is echt verliefd op mij!’

‘Ok! Ik zal er rekening mee houden,’ zei Lorraine die nog steeds van binnen beefde.

‘Zullen we een gedachtenspelletje doen?’

Een slechter moment had niet gekund, maar Lorraine durfde geen ‘nee’ te zeggen. Haar vriendin zou misschien zou denken dat zij wat te verbergen had.  De pijn in haar buik nam nog meer toe.

‘Zal ik eens raden aan wie je nu denkt?’ vroeg ze.

Lorraine probeerde rustig te blijven terwijl ze ineenkromp om haar eigen gedachten.

‘Jij denkt nu aan je vroegere vriendinnetje Loes!’

Lorraine moest lachen en zuchtte opgelucht.

‘Ja,’ antwoordde ze, ‘hoe raad je het zo?’

‘Ik heb het negen van de tien keer goed hé! Ik kan écht gedachten lezen! En nu jij!’

Ze pakte de glazen sneeuwbol uit de kast, die eigenlijk bedoeld was voor als het kerst was, maar zij kon hierin uitstekend iemands gedachten en toekomst lezen. Ze streek er overheen en prevelde:

‘Jij denkt aan het getal zeven!’

Ze wist namelijk dat dit het getal was waar Marjolein op de een of andere manier altijd aan dacht.

‘Ja!’ In één keer goed! Knap hoor! We worden er steeds beter in!’

“Aan welke jongen denk ik nu?’

‘Aan Roman!’

‘Ja hoor, weer goed! Zie je wel, we zijn voor eeuwig door onze gedachten met elkaar verbonden!’

Als ze niet zo gelogen had tegen Marjolein had ze er zelf ook nog in kunnen geloven, maar nu brak het zweet haar uit. Ze vroeg zich af of ze de vriendschap niet beter toch kon verbreken? Maar dacht meteen aan hoe vaak ze samen naar de kermis of de dierentuin waren geweest. Dan had haar vader geld mee gegeven voor twee, omdat hij wist dat haar ouders het niet breed hadden. Zo’n vriendin kon je toch niet in de steek laten?

——————–

Dat het nare gevoel dat zij nu had misschien door Marjolein kwam, was een gedachte die zij meteen van zich afzette. Daarvoor hielden ze toch te veel van elkaar? Soms leek ze op een jongen soms op een meisje en dat was alles.

Het kwam uiteindelijk allemaal door haar eigen laffe inborst én haar verliefdheid op Roman, dat zij niet eerlijk kon zijn.

‘Die Roman deugt niet,’ had haar moeder al zo vaak gezegd. Waarom was ze niet verliefd geworden op haar schoolvriendje Michiel bijvoorbeeld, zijn vader was arts en hij was wel goed opgevoed en knap om te zien. Ze begreep zichzelf niet meer.

‘Ik ben niet verliefd op Roman!’ herhaalde zij telkens in de spiegel, als een soort medicijn tegen een ziekte zonder naam, dat zij voor het naar bed gaan moest innemen.

‘Marjolein mag hem hebben!’ zei ze tegen zichzelf zeggen en ze geloofde het nog ook!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s