Lege handen

Blog van Lucienne Kohler

  • Facebook
  • Twitter
  • Instagram
  • Inhoudsopgave:
  • Hoofdstuk I Het Dorp
    • Vlinderslag
    • Prikkeldraaddood
    • Onze Vader
    • De jongen met het gat in zijn hart
  • Hoofdstuk II De stad
    • Rattenvanger
    • Het meisje in de lila jurk
    • Alleen op de Wereld
    • Op wereldreis
  • De Stad Deel II
  • Doe-het-zelversPoëzie
    • Godenzonen
    • Deja vu
    • Knock-out
    • Etiquette
  • Turquoise

    juli 24th, 2018

    Lorraine’s vader logeerde in het huis van een vriend. Het stond in de mooiste buurt van Amsterdam, vond hij. Hij hoopte zelf ook een huis te vinden in deze buurt, maar nu logeerde hij er om alvast te wennen aan het wonen in een ‘echt’ huis.

    Als Lorraine er met haar broertje Ron kwam logeren leidde hij ze rond langs de brede straten en de parken in bloei. De huizen waren hoog, met witte muren; het leken wel versierde paleizen.  Vroeger woonde hier alleen maar koningen en edel-mannen, vertelde vader. Edel-mannen waren heel rijk en ‘aristocratisch’. Dat was een woord wat ze niet kenden, maar als hij iets heel mooi vond noemde hij het zo, dus het moest wel iets heel belangrijks zijn.

    Om de hoek was een dierentuin waar de leeuwen brulden in hun kooi. Ook waren er olifanten, apen, giraffen en vissen en nog heel veel meer dieren. Ze gingen er vaak naartoe met vader. Hij maakte vaak tekeningen van de dieren en dat vonden ze prachtig. Op een bord bij de leeuwen stond ‘Afrikaanse leeuw’, maar vader zei dat deze leeuw eigenlijk ‘Maan’ heette. Hij kende ‘Maan’ nog van het circus. Soms bootste hij een zweepslag na met zijn hand; dan keek ‘Maan’ ons even saggerijnig aan en stond met veel tegenzin op, om vervolgens te verdwijnen naar zijn kooi achterin het hok. ‘Ik heb ‘Maan’ vroeger vaak door een brandende hoepel laten springen,’ zei vader.’ Maar hij is nu met pensioen. Maan was ook de leeuw die hem op een dag van achteren had aangevallen.

    Vader had de leeuw vanuit zijn ooghoeken op zich af zien komen en zich razendsnel omgedraaid. Hij had hem nog net op tijd kunnen hypnotiseren met zijn blik en hem zo gedwongen om door de tunnel de circuspiste te verlaten en terug naar zijn kooi te gaan. Men zei dat Maan jaloers was geweest op mijn vader omdat hij meer aandacht van de vrouwtjesleeuwen kreeg dan hij. ‘Maar een leeuw die eenmaal heeft geprobeerd om de leider van de roedel aan te vallen, zal nooit meer te vertrouwen zijn,’ zei vader. Daarom durfde hij de kooi niet meer in met de jaloerse leeuw. Hij stopte met zijn werk als leeuwentemmer omdat hij onzeker was geworden en Maan werd naar de dierentuin gebracht.

    Nadat vader een half jaar in zijn schildersatelier had gewoond tussen zijn verftubes en schilders-ezels was hij nu op zoek naar een ‘echt’ huis. ‘Kom je weer bij ons wonen?’ vroeg Ron aan hem. ‘Nee, dat denk ik niet. Want je moeder heeft al een nieuwe liefde gevonden,’ beantwoorde hij deze vraag.

    Op de bovenverdieping woonde de vrouw waar hij nu zelf verliefd op was: de Franse Josephine. Zij was edelsmid en had een zoon van zeventien waarmee zij alleen maar Frans sprak. Haar vader ging er elke dag even op bezoek en bracht dan wijn en bloemen mee voor Josephine die dat erg leuk vond. Hij stelde haar aan hen voor: ‘Josephine, dit zijn mijn kinderen Lorraine en Ron.’ ‘Mon dieu!’ riep ze uit, wat een mooie kinderen heb je en wat een mooie Franse naam heeft je dochter.’ Vader glimlachte trots. ‘Je weet toch dat ik van Franse afkomst ben!’ zei hij. ‘Oui, oui, mon cherrie,’ zei Josephine. Ze liet de kinderen de sieraden zien die zij maakte. Het waren zilveren ringen en kettingen die helemaal groen uitgeslagen waren, alsof er mos op groeide. ‘Wat is dat Josephine,’ vroeg Lorraine en wees op het groen van de ringen. ‘Dat heet patina, lieve kind! Dat komt omdat Guy, mijn zoon, er ’s nachts overheen plast. Dat moet hij van mij doen, want dan krijg je een proces dat ‘oxidatie’ heet. Maar omdat alleen koper kan oxideren verwerk ik koper in het zilver. ‘Lorraine knikte alsof ze het begreep.’ Een rare gedachte dat haar zoon ’s nachts moest plassen over haar sieraden vond ze het wel. Maar ze moest toegeven dat het mos een prachtige kleur groen had en dat dat heel mooi stond bij het zilver. ‘Die mooie kleur heet Turquoise,’ zei Josephine toen Lorraine ernaar vroeg.

    ‘Guy!’ riep ze naar de gang waar de kamer van haar zoon was. ‘Laat eens zien wat we gekocht hebben toen we in Afrika waren!’

    Lorraine hoopte op een prachtige kralenketting of spiegeltjes, zoals ze gelezen had dat blanke priesters verkochten aan negerstammen in Afrika. ‘Misschien dat de negers die zelf ook weer doorverkochten aan de blanke toeristen?’ Maar Guy kwam aanzetten met een houten buis versierd met allerlei kleurige voorstellingen. ‘Wat zou dat nu zijn?’ vroeg Lorraine zich af.

    Guy pakte er een fotoalbum bij waarin foto’s stonden van hun reis. Ze zag een groep naakte mannen met een chocoladekleurige huid, veel donkerder dan ze het ooit gezien had bij Eugene bijvoorbeeld. Het enige dat zij droegen waren deze kleurige buizen om hun geslacht. ‘Dat zijn peniskokers,’ legde Josephine uit. ‘Dat is een kledingstuk en betekent dat je hoog in aanzien staat in de stam. Vooral oudere mannen dragen er een.’ Lorraine vond het er heel vies uitzien, maar zei daar niets van. Toen zag ze opeens dat Guy er ook tussen stond. Hij keek stoer de camera in en lachte breed. Ook hij had een peniskoker om. ‘Bah,’ dacht ze, moet dat nou?’

    Guy vroeg in het Frans aan de kinderen of ze het mooi vonden: ‘C’est joli, ici, non?’ Ze verstonden hem wel niet, maar knikten toch van ‘ja’. Hij glimlachte breed net als op de foto en het viel Lorraine op hoe mooi zijn gezicht was. Het was eigenlijk wel heel stoer om zomaar naakt bij een negerstam op de foto te gaan staan met alleen nog een peniskoker aan, bedacht Lorraine. Josephine lachte haar geruststellend toe. ‘Het was achteraf gezien eigenlijk helemaal niet raar,’ vond Lorraine opeens.

    ’Ja Guy is erg mooi,’ zei haar vader toen Lorraine maar over hem en zijn peniskoker door bleef praten tijdens de rest van de vakantie. ‘Maar Guy..,’ vader laste hier even een gewichtige pauze in, houdt vast meer van de jongens dan van de meisjes!’ vulde hij zijn zin aan, terwijl hij zijn ogen samenkneep alsof hij een groot geheim onthulde. Ze keek jaloers opzij naar haar broer en vroeg hem of Guy hem ook zo lief had aan gekeken. ‘Misschien wel, misschien niet, maar ik heb daar niet op gelet eigenlijk,’ antwoordde hij. ‘Zie je wel dat het niet waar is!’ riep Lorraine uit met tranen in haar ogen van woede en teleurstelling. Maar vader gaf geen krimp.

    Toen ze weer terug was bij haar moeder leerde die haar wat Franse woorden zodat ze met Guy zou kunnen praten als ze hem ooit weer zou ontmoeten. Ze vermoedde dat een jongen van zeventien niet veel zou zien in een meisje van acht, maar alleen al het uitspreken van de Franse klanken gaven haar zo’n geluksgevoel, dat dat haar niet veel kon schelen.

    Ze was vast van plan lange Franse brieven te gaan schrijven aan Guy. Want een mooiere taal bestond er niet en het was alsof alles wat zij voelde veel mooier gezegd zou kunnen worden in het Frans dan in het Nederlands. ‘Je suis amoureux de toi, Guy! Je t’adore!’ fluisterde ze ’s nachts in bed en hoopte dat hij haar stem tot in de grote stad zou kunnen horen.

     

     

    Dit delen:

    • Klik om af te drukken (Opent in een nieuw venster) Print
    • Meer
    • Klik om te delen op X (Opent in een nieuw venster) X
    • Klik om te delen op Facebook (Opent in een nieuw venster) Facebook
    • Klik om op LinkedIn te delen (Opent in een nieuw venster) LinkedIn
    • Klik om op Tumblr te delen (Opent in een nieuw venster) Tumblr
    • Klik om op Pinterest te delen (Opent in een nieuw venster) Pinterest
    • Klik om dit te e-mailen naar een vriend (Opent in een nieuw venster) E-mail
    Vind-ik-leuk Aan het laden…
  • Lorraine 💘 Eugene

    juli 24th, 2018

    Jongens en meisje dit is Eugéne Mataheru,’ zegt de juf.
    ‘Ga voorlopig hier maar zitten.’ Ze wijst hem een plekje aan voorin de klas. ‘Ja, juf.’ Nieuwsgierig kijkt hij de klas rond. Bij Lorraine blijft zijn blik rusten. Ze voelt een giechel omhoogkomen en bijt op haar onderlip.

    3X3=9 en 3X4=12. De juf tikt de maat op het bord. Dat ziet er best raar uit, maar ze probeert haar lachen in te houden.

    Pok! Een papierpropje komt tegen haar slaap aan. Ze kijkt om zich heen, niemand kijkt terug. Zeker Bea weer! Altijd dat getreiter van die vetzak en dat meisjesgroepje om haar heen. In de kleine pauze mocht ze ook al niet meedoen met touwtje springen. ‘Je bent een trut!’ zal er wel instaan, dat zijn zo van die briefjes die Lies schrijft. Waarom zijn het altijd de nare kinderen die de meeste aandacht trekken?

    Lorraine en Eugéne, schrijft ze in mooie krulletters in haar gloednieuwe schrift, want dat rijmt op elkaar.

    Ze ziet Bea kijken naar het propje dat stil op de grond ligt te wachten tot iemand het opraapt. Afblijven! Denkt ze, alsof ze haar met een gedachte zou kunnen besturen. Ze doopt haar kroontjespen opnieuw in de inktpot van haar tafeltje en veegt het overtollige inkt zorgvuldige af aan het zeemleren lapje. Ploink! Er valt alweer een druppel op de tekst in haar schrift. Wanneer leert ze nou eens te werken zonder te knoeien? Zo zal ze nooit een plaatje krijgen voor haar dictee.

    Ze maakt met rode stift een ♥️ en krast er met inkt een pijltje doorheen. Lorraine ♥️ Eugéne staat er nu.

    In de pauze pakt ze het propje snel op en houdt het stevig in haar hand verborgen. Op het schoolplein komt Bea naar haar toe gelopen.

    ‘Je bent een slome trut, met slome kleren aan!’ zegt ze.

    Het meisjesgroepje om haar heen grinnikt terwijl ze haar van top tot teen bekijken. Net een groep hyena’s. Alleen durven ze helemaal niets! Ze maakt een omtrekkende beweging en verbergt zich snel achter het muurtje bij het fietsenhok.

    Daar maakt ze het briefje met trillende vingers open: ‘Vanmiddag-half-vier-zwembad?’♥️ Eugéne, leest ze tot haar verbazing. Wat een onbeholpen beverig handschrift! Ze is niet de enige die slordig schrijft! Maar half-vier-zwembad? Nee, dat gaat niet!

    Ze denkt terug aan de zomervakantie. Hoe ze in buitenbad De Otter als een kikker vanaf de bodem omhoog sprong om te blijven drijven op het wateroppervlak om dan vervolgens watertrappelend vooruit te komen door het water. ‘Mam, kijk eens, ik kan al zwemmen!’

    Moeder lachte haar vanaf de kant toe. Ze was trots dat haar dochter iets was gelukt wat zij niet kon.

    ‘Hoef ik nu niet naar zwemles meer?’

    ‘Nee, hoor, blijf jij maar lekker thuis.’

    Ze kon haar dochter toch niet aandoen wat zij zelf zo verafschuwde? Zo’n haak om je hals. Het gevoel te moeten kokhalzen. De doodsangst voor de klompen die zo’n man aanhad en waarmee hij je het zwembad in trapte. Het kille water dat naar binnen stroomde door je neus en je mond. Het niet meer kunnen schreeuwen en de film van je leven die in een flits voorbijkwam in je hoofd. Ze rilde als ze eraan dacht.

    Erica had Lorraine meegenomen naar het bad in het dorp. ‘Kom op, we gaan van de hoge duikplank af duiken,’ zei ze. En toen was het begonnen dat zij de angst was gaan voelen die zij nu ook weer voelt. Ze staarde met doodsangst de draaikolk van het diepe in. Kon zij wel echt zwemmen? Of had ze het maar gespeeld om haar moeder blij te maken? Ze had in paniek een smoes verzonnen om zo snel mogelijk uit het bad weg te komen. Hup op de fiets, haar kleren plakten nog vast aan haar lijfje, omdat ze niet eens de tijd had genomen om zich af te drogen. Snel naar huis!

    Maar als ze niet zou gaan vanmiddag? Wat dan? Zou Eugéne haar dan nog leuk vinden? Of zou hij boos zijn?

    ‘Ik denk, dat Eugéne Moluks is,’ zei moeder toen ze het briefje aan haar liet lezen met de vraag wat ze moest doen. ‘Zou dat kunnen?’

    Het klonk wel grappig ‘Moluks’, maar wat was het voor iets?

    ‘Ik kom wel eens in de Molukse wijk, zegt moeder.

    ‘Wat ga je daar dan doen?’

    ‘Ik leer er Loempia’s maken en kipsaté met rijst. Ik begrijp niet waarom niemand er durft te komen. Het zijn zulke aardige mensen.’

    ‘Ik durf er wel te komen!’ zegt Lorraine stoer.

    ‘Ja, jij misschien wel, maar toch moet je er rekening mee houden dat Eugéne’s ouders misschien niet gewend zijn dat er blanke kinderen bij ze komen spelen.

    ‘Oh, maar dan komt hij toch met mij mee naar huis?’

    ‘Misschien zal hij dat niet durven.’

    ‘Maar onze namen rijmen op elkaar, mam!’

    ‘Ja kind, dat is waar, maar meer dan wat gefriemel en kusjes geven in de bosjes zal het waarschijnlijk niet worden!’

    In de spiegel inspecteert Lorraine de kleur van haar gezicht.  Kun je het daaraan zien? Is zij, in plaats van heel gewoon, nu opeens BLANK??!! Bléh!!

    Ze kijkt op de klok: het is tien voor half vier.

    Ze gaat koortsachtig op zoek naar haar zwemspullen. Waar lagen ze ook alweer. Haar maag gaat tekeer. Misschien moet ze wel overgeven? Kon ze maar de vlinderslag of de driedubbele salto van de duikplank maken. Kon ze maar gewoon zijn en zwemmen zoals iedereen!

    Als ze probeert op te staan, valt ze bijna om, zo duizelig is ze. De zweetdruppels staan op haar voorhoofd. Er staat een stevige tegenwind en het trappen gaat moeizamer dan ooit.

    Stel dat het briefje van Eugéne maar een grap was. Dat hij haar op staat te wachten met een paar jongetjes van de klas en dat ze zouden proberen om haar onder water te trekken? Misschien verdrinkt ze deze keer dan wel echt! Brrrrr…

    Ze ziet het zwembad al in de verte, maar haar hart bonst: ‘Nee! Ze wil weer terug naar haar moeder. Op de terugweg zweeft ze bijna op de wind en voelt zich meteen een stuk beter.

    ‘Mam, ik voel mij niet zo lekker, ik blijf toch maar thuis!’ roept ze de keuken in.

    ‘Prima!’

    ‘Wat eten we vandaag?’

    ‘Gado-Gado met rijst en kroepoek.’

    ‘Oh, heerlijk!’

    ‘Ik ga nog even lezen hoor!’

    Ze pakt het boekje erbij dat ze heeft meegenomen uit de boekenkast van haar moeder. Eerst had moeten lachen om de naam die op de kaft stond: Hans Plomp. Hans-in-den-Plomp giechelde ze zacht voor zich uit. Maar toen ze het boekje opensloeg zag ze iets heel bijzonders: het leken wel een soort woordsommen zonder eindbedrag.

    ‘Waarom staan die woorden zo raar op het papier, mam?’ vroeg ze.

    ‘Dat zijn gedichten lieverd. Daarin mag je alles precies zo opschrijven als je het zelf wilt.’

    Dat was fijn zég! Misschien dat zij dan nu eindelijk ook eens een tien met een plaatje kon krijgen voor haar dictees. In plaats van de rode strepen die er meestal staan. Wat zou ze graag gedichten leren schrijven.

    Naarmate ze de woordsommen vaker las werden ze steeds mooier in haar ogen.

    Ernaast stond Le Petit Prince, dat volgens moeder ‘De kleine prins’ betekent. Die nam ze mee voor de plaatjes, want het is in het Frans en dat begrijpt ze nog niet. En moeder had ook gezegd dat het niet echt voor kinderen bedoeld was. Wel gek, want het zag eruit als een kinderboek.

    ‘Is Hans Plomp de kleine prins van de woordsommen?’ vroeg ze, want er moest een verbinding zijn tussen die twee, anders stonden ze niet naast elkaar in de kast.

    Moeder moest lachen: ’Ja, zo zou je dat kunnen zeggen.

    ————————

    ‘Eugéne is een rotjoch!’ schrijft ze op een papiertje. Of negeert hij haar omdat hij thuis straf krijgt als hij met blanke meisjes praat?

    Het is doodstil in de klas, je kunt alleen nog het krassen horen van de kroontjespennen van de kinderen. De wijzers van de klok aan de muur kruipen traag voorbij.

    Lorraine krast een zwarte wolk over de hartjes en de naam Eugéne verdwijnt langzaam uit haar schrift. Stel dat zijn ouders het zouden zien!

    2×3=6 en 3×3=9 begint het zingen weer. De woordsommen op het bord zijn langzaam weer terug verandert in gewone rekenrijtjes. Het is eigenlijk allemaal erg saai op school!

    Pok! Gooit ze het propje met de verwensing tegen het hoofd van Eugéne. Ze schrikt er zelf van, maar hij kijkt niet op of om.

    ‘Lorraine heeft alweer een tien voor haar opstel,’ zegt de juf.

    ‘Goed zo, en hier krijg jij natuurlijk een mooi plaatje voor!’

    Ze bergt haar schrift met het plaatje van het sneeuwwitte konijn die een wortel eet op in haar laatje. Zo die neemt niemand haar nog af!

    Laat hem hier maar rustig wonen in het donker van haar tafelbank.

    Ze stift snel haar lippen met een stompje knalrode lipstick dat ze van moeder heeft gekregen en drukt een 💋op een blaadje en vouwt er een vliegtuigje van. Zoeffff! Hij maakt een grote boog door de klas. De juf kijkt even verstoord op, maar glimlacht als ze het vliegtuigje op de grond ziet liggen naast het bankje van Eugéne.

    Wel gek eigenlijk, denkt Lorraine, dat de juf nu opeens zo lief tegen haar doet, want een echt gedicht heeft ze nog steeds niet geschreven.

     

    Dit delen:

    • Klik om af te drukken (Opent in een nieuw venster) Print
    • Meer
    • Klik om te delen op X (Opent in een nieuw venster) X
    • Klik om te delen op Facebook (Opent in een nieuw venster) Facebook
    • Klik om op LinkedIn te delen (Opent in een nieuw venster) LinkedIn
    • Klik om op Tumblr te delen (Opent in een nieuw venster) Tumblr
    • Klik om op Pinterest te delen (Opent in een nieuw venster) Pinterest
    • Klik om dit te e-mailen naar een vriend (Opent in een nieuw venster) E-mail
    Vind-ik-leuk Aan het laden…
←Vorige pagina
1 … 15 16 17 18 19 … 22
Volgende pagina→
  • Facebook
  • Twitter
  • Instagram
  • Abonneren Geabonneerd
    • Lege handen
    • Voeg je bij 33 andere abonnees
    • Heb je al een WordPress.com-account? Nu inloggen.
    • Lege handen
    • Abonneren Geabonneerd
    • Aanmelden
    • Inloggen
    • Deze inhoud rapporteren
    • Site in de Reader weergeven
    • Beheer abonnementen
    • Deze balk inklappen
%d